De flitser

Ondanks alle hulpmiddelen en truukjes zoals lichtsterke lenzen, beeldstabilisatie, hoge ISO-waarden en het gebruik van een statief, is er soms te weinig licht om een goede foto te kunnen maken. En dan moeten we licht bijcreëren met behulp van een flitser.
Een flitser is een zeer felle lamp die – indien opgeladen – voor een fractie van een seconde een lichtflits geeft.

De flitser is gesynchroniseerd met de sluiter: dit wil zeggen dat de lamp zijn licht nét geeft wanneer de sluiter open is, zodat de foto bijgelicht wordt.
Een flitser is ingebouwd in de meeste moderne camera, compact of reflex, maar bestaat in allerlei maten en soorten.
Er zijn interne flitsers en externe flitsers, er zijn regelbare flitsers en niet regelbare flitsers, en er zijn studioflitsers.

Kleurtemperatuur

Welke flitser je ook gebruikt ze geven allemaal het effect weer van het daglicht = tussen 5000 en 5500°K.
Je kleurtemperatuur instellen op zonneke of flitssymbool of je de handmatige instelling van het juiste kleurtemperatuur is de boodschap.

Het richtgetal  

Het richtgetal van een flitser is een maat voor de lichtopbrengst en is gelijk aan het product van de afstand (flitser tot object) en de benodigde diafragmawaarde.

Hoe hoger het richtgetal, des te krachtiger is de flitser. Een flitser met een richtgetal dat twee keer zo groot is als een andere flitser, kan een bepaald object belichten op een twee keer zo grote afstand als die andere flitser.
Het richtgetal is altijd gedefinieerd bij een bepaalde filmgevoeligheid, waarbij 100 ISO/ASA de standaard is.
Een flitser met een richtgetal van 28 wordt gebruikt om een onderwerp op 5 meter afstand van de flitser te fotograferen. Het te gebruiken diafragma is f/5,6 want 28 / 5 (richtgetal/afstand) = 5,6.
Met diezelfde flitser en een lichtsterke lens met maximale opening f/1,4 kan tot een afstand van 20 meter (28 / 1,4) gefotografeerd worden.

Op veel flitsers is een tabelletje of rekenschuif aangebracht waarmee eenvoudig het bij de afstand behorende diafragma afgelezen kan worden. Op moderne automatische flitsers is vaak een lcd aangebracht waarop het effectieve flitsbereik wordt aangegeven.

Flitsen op eerste of tweede gordijn  

Het wordt donkerder, je wil graag flitsen maar je wil ook de achtergrond nog meebelicht hebben.
Een mogelijkheid is dan je camera op statief zetten (of uit je vaste hand) je sluitertijd op 1/4 sec en inflitsen.
Bij onderwerpen die niet bewegen is er dan niets aan de hand.
Maar bij bewegende onderwerpen lijkt het of het onderwerp zogenaamd achteruit gaat.

Ik bedoel dan dit effect:

 

Je krijgt dit effect wanneer je niets bijzonders doet met je camera en met je flitser. Wat er gebeurt is het volgende.
Je drukt af, de flitser gaat af en je sluiter staat daarna nog open.
Door de voorwaartse beweging van je onderwerp zie je als het ware een spookverschijning (of schaduw) vóór het onderwerp uit.

En voor ons is dit onlogisch. Opgegroeid met cartoons en tekenfilm willen we dat bij beweging de schaduw achter het onderwerp komt te liggen.

Dit suggereert actie, snelheid en energie.

Om dit voor elkaar te krijgen dienen we onze flitser op het tweede gordijn te zetten. Bij de meeste flitsers is dit een simpele handeling (zie handleiding flitser)
De flitser kan ook door de camera op het tweede gordijn worden gezet (zie handleiding camera)

Je krijgt nu dit effect:

 

Wat er gebeurt is het volgende.
Je drukt af, je sluiter staat een tijdje open en net voordat de sluiter sluit komt de flits. Door de voorwaartse beweging van je onderwerp krijg je eerst een vage beweging en  op het laatste moment de flits.

Door op het tweede gordijn te flitsen komt er meer actie in je foto. Daarnaast benadert het meer onze werkelijkheid.

De term eerste en tweede gordijn verwijst naar de bouw van de sluiter.
Het zijn twee lamellen die na elkaar een deel van de sensor aan het licht blootstellen.

 

 

 

Flitsintensiteit en zoom  

De meest eenvoudige flitsers in compactcamera‟s flitsen telkens met dezelfde    intensiteit. Meer geavanceerde flitsers houden echter rekening met de omstandigheden om de intensiteit, of eventueel zelfs de „zoom‟ aan te passen.

Bij de meeste digitale reflexcamera‟s wordt er met de intensiteit rekening gehouden, en is deze zelf instelbaar. Zo kan ik op mijn D80 instellen dat de flits zwakker moet afgaan dan nodig, of sterker dan hij zelf inschat.

Mijn externe flitser houdt bovendien rekening met de zoom van de lens. De flitser vraagt via de camera de brandpuntsafstand van de lens op, en past de interne positie van de flitskop aan. Op die manier “werpt” de flitser het licht veel verder wanneer sterk ingezoomd is, dan wanneer bv. een breedhoekbeeld genomen wordt. Het flitslicht is dus optimaal aangepast aan elke situatie.

Rode ogen

De meeste toestellen zijn tegenwoordig uitgerust met een rode-ogen-functie: om rode ogen te vermijden geeft de flitser enkele voorflitsen voor de eigenlijke foto getrokken wordt. Op die manier krijgen de oogpupillen de kans om samen te trekken, en is de kans op rode ogen kleiner.

Wat goed is om weten, is dat de kans op rode ogen ook verkleint naarmate de flitser verder weg van de lensopening staat. Daarom klappen de ingebouwde flitsers van digitale reflexcamera‟s ook omhoog.

Alweer een voordeel van een externe flitser dus: deze bevindt zich op 10 centimeter boven de lensopening, waardoor het risico op rode ogen echt geminimaliseerd wordt. En als ze zich toch voordoen, zijn ze achteraf eenvoudig softwarematig te verwijderen.

Invulflits

Een moderne camera heeft een ingebouwde lichtmeter, en bepaalt zelf wanneer je een flits nodig hebt en wanneer niet. De camera kan dit echter niet altijd correct bepalen. Op een heldere, zonnige dag bijvoorbeeld, is er voldoende licht aanwezig en is een flits voor de camera overbodig, maar wat nu als je iemand fotografeert die in een donkere omgeving tegen een heldere achtergrond staat?

 

Op de bovenstaande foto‟s zie je het probleem. De linkse foto is genomen met automatische instellingen van de camera: de camera stelt zijn belichting in op de heldere achtergrond, en deze is mooi verlicht, maar het meisje staat in de schaduw.

Op de tweede foto werd spotmeting gebruikt: de belichting werd ingesteld op het meisje, waardoor het diafragma groter werd, en de sluitertijd langer, maar hierdoor is de achtergrond overbelicht. „t Is ook altijd iets!

De oplossing bestaat er hier in om de belichting in te stellen op de achtergrond, en geforceerd een flits te gebruiken. Dit wordt een invulflits genoemd, omdat hij het nodige licht invult om het meisje uit de schaduw te halen (derde foto).

Invulflitsen is een methode die bij elke camera kan gebruikt worden, maar je moet instellen dat de flits zeker moet afgaan, ook al denkt de camera dat dit niet nodig is.

Traag flitsen    

Wanneer een flitser gebruikt wordt, past de camera zelf de sluitertijd aan: meer licht betekent immers dat er minder tijd nodig is om de foto voldoende te belichten. Bij gebruik van de flits gaat een camera normaal gezien naar een sluitertijd van 1/60ste seconde.
Door een flitser in te stellen op Slow of Traag flitsen geef je aan de camera de opdracht om de belichting op normale manier te bepalen, en een normale sluitertijd te gebruiken, maar toch een flits te laten afgaan. Op die manier kan je foto‟s trekken met 1 seconde sluitertijd, waarbij bv. de achtergrond normaal belicht is, en het onderwerp op de voorgrond door de flits belicht wordt (invulflits).Niet alle compactcamera‟s ondersteunen traag flitsen, maar wel de meeste reflexcamera‟s. Bovendien kan je meestal nog instellen of de flitser moet afgaan bij het begin van de sluitertijd, of op het einde (rear / achterste gordijn).

Intern vs. extern  

Ik bezit zelf een Nikon SB-600 en een SB-910 externe flitser. Dit is een geavanceerd basismodel en een topmodel. Er is ook nog de SB-700, die krachtiger is en meer snufjes biedt dan de SB-600, en sinds kort de SB-400, een eenvoudig instapmodelletje.

Sinds ik deze flitser bezit, gebruik ik de interne flitser nog nauwelijks. Wat een heerlijk speelgoed!

Deze krachtige flitser heeft een zeer ver bereik (tot 40meter) en bezit een eigen display, heeft een kantelbare kop (zowel naar boven toe als naar opzij), heeft een ingebouwde zoom, ondersteunt draadloos flitsen (op een bijgeleverd voetje), laadt snel en krachtig, op en heeft een ingebouwd hulplicht voor het focussen (de rode lamp vooraan).

Wanneer de kantelbare kop naar een wit oppervlak wordt gericht, weerkaatst het licht netjes over de hele kamer – indirect flitsen heet dat.

Links een foto met direct flitsen, in het midden de opstelling voor indirect flitsen, en rechts het veel natuurlijker resultaat.


Geflitst! Maar op welke manier?  

Vroeger hield ik niet van flitsers. Een fotoflits was voor mij een noodzakelijk kwaad – te vermijden dus.

De reden is eenvoudig: flitslicht is fel en vaak onnatuurlijk, en geeft een harde indruk aan een foto. Om nog maar van de rode ogen en andere neveneffecten te zwijgen.

Veel problemen van flitsers kunnen echter opgelost worden door het gebruik van een indirecte, externe flits.

Dat het ene flitslicht het andere niet is, bewijzen de zes onderstaande foto‟s van het kersstalletje.

De eerste foto is genomen zonder flits, met statief en lange sluitertijd, dus.

De tweede foto is genomen met de interne flitser met een Nikon D80. Het resultaat is een helverlichte stal.

De derde foto is genomen met mijn externe flitser, maar wel rechtstreeks op de stal gericht. Hetzelfde effect als bij de vorige foto, maar het licht is nóg feller, en kouder.

En dan, een wereld van verschil. De volgende foto is genomen met diezelfde externe flitser, maar deze keer werd de flitser naar het witte plafond gericht, zodat het licht gelijkmatig weerkaatst werd. Indirect flitsen heet dat. Het resultaat is een veel warmere foto.

Met die externe flitser is het ook mogelijk om draadloos te flitsen. Op onderstaande foto komt het flitslicht van de draadloze flitser achter het stalletje.

En nogmaals draadloos, maar deze keer komt het licht van opzij.
Accessoires
Diffusor

Automatische flitsers worden vaak uitgerust met een diffusor, dit is een half- doorzichtige plaat dat je over de flitskop schuift (soms doet de diffusor ook gebruik als catchlight bij bounce-flitsen, zie voorbeeld lager). De oorspronkelijke bedoeling van de diffusor is het licht van de flitser meer te verspreiden zodat ook breedhoeklenzen gebruikt kunnen worden, maar de diffusor geeft ook een zachter licht, omdat er meer indirekt licht is (met een diffusor straalt de flitser over een brede hoek en wordt er meer licht door de omgeving weerkaatst). Sommige flitsers hebben een dergelijke ingebouwde diffusor, maar er zijn voldoende do-it-yourself alternatieven.

Mini Softbox    

De (mini) softbox is een accessoire dat je op de flitskop schuift en een groot lichtoppervlakte heeft: het is eigenlijk de commercieele uitvoering van de papieren zakdoek. De bedoeling is een zo groot lichtoppervlakte te creeren. Daardoor bekom je een meer difuus licht dat de persoon beter laat uitkomen. Schaduwen worden ook minder scherp afgetekend. Het akelig effekt van een direkte flits wordt daardoor vermeden.

Met de softbox kan je ook “uitbranders” vermijden (dat is een vervlogen term uit de filmfotografie, waarbij reflekties op spiegelende oppervlaktes (specular reflections) als zwarte stippen op de negatieven zichtbaar zijn). Maar deze reflekties

kunnen ook de TTL-lichtmeting van fototoestellen in de war sturen, waardoor de foto onderbelicht is. Voor een fotosessie krijgen modellen vaak een matte fond-de-teint om reflekties van de flits op het gezicht te vermijden, maar deze reflekties kunnen ook vermeden worden door een softbox.

Een softbox is doorschijnend (mat), een diffusor is doorzichtig met kleine prisma’s om het licht te verstrooien, maar vaak worden de benamingen door elkaar gebruikt.

Bounce flits    

Bij bounce flitsen wordt de flitskop schuin naar het plafond gericht. Bij bounce-flitsen moet je de diffusor, dat nu als een soort reflektor dienst doet (catchlight) in een speciale half-open stand gebruiken (zie foto links). Daardoor wordt er wat meer licht naar het model gestuurd: de ogen krijgen een fonkeling en je vermijd dat de ogen in de schaduw van de wenkbrauwen zitten (typisch aan amateur bounce flitsen!).

Bij sommige flitsers heb je een aparte diffusor en catchlight (bijvoorbeeld bij de speedlite 580EX van Canon). De diffusor gebruik je samen met breedhoeklenzen (direct flitsen). Bij bounce flitsen heb je de diffusor niet nodig: het onderwerp waarop gereflekteerd wordt zorgt op zich al voor diffuus licht. De catchlight gebruik je specifiek bij bounce-flitsen. Vaak kan je de externe diffusor als catchlight gebruiken. Je kan een tweede diffusor kopen en die beplakken met zilverpapier als het effekt te zwak is.

De flitselectronika zal sterker flitsen om het verlies aan licht te compenseren. Je moet er wel rekening mee houden dat het beschikbaar flitsvermogen beperkt is: kon je met direct flitsen tot 10 meter reiken, dan zal het bereikt beperkt worden tot bijvoorbeeld 5 meter of minder.

Bounce kan je moeilijk gebruiken zonder belichtingsautomatiek, want je kan niet bepalen hoeveel licht het plafond weerkaatst. Met uitsluitend een diffusor of softbox is het nog te doen (als je weet hoeveel licht de diffusor tegenhoudt).

 

Geef een reactie