De Camera

Soorten fototoestellen
Digitale fototoestellen zijn tegenwoordig in diverse formaten verkrijgbaar: van piepkleine tot flink uit de kluiten gewassen exemplaren. Wij overlopen de twee formaten digitale camera’s die je meest in de handel aantreft.

Compact-toestel
In het algemeen kan men stellen dat het gebruik van een compact toestel gemakkelijker is. Het toestel is ook kleiner en kan gemakkelijker meegenomen worden. De gesloten construktie zorgt dat het toestel minder gevoelig is voor stof en vochtigheid.

Maar een compact-toestel heeft ook zijn nadelen: je zit vast aan een bepaald toestel, dat meestal niet uitgebreid kan worden: soms kan je geen externe flitser aansluiten en lenzen kan je in ieder geval niet verwisselen. Bij professioneel fotograferen vallen de beperkingen van een compact- toestel snel op: een compact reageert trager, geeft een beeld met meer ruis, sommige funkties zijn niet mogelijk (lichtmeting en bepalen van de focus onafhankelijk van elkaar) en andere zijn moeilijker te bedienen (bijvoorbeeld de zoom!). Bovendien functioneren ze volledig automatisch, zonder gebruik te maken van ingewikkelde instellingen en functionaliteiten.

Voor een compactcamera betaal je gemiddeld 200 à 500 euro. Koop dit type digitale camera..

als je een relatief goedkope digitale camera zoekt met een goede prijs-kwaliteitverhouding.
als je een gelegenheidsfotograaf bent.
als je een degelijk fototoestel zoekt zonder veel ingewikkelde snufje

Spiegelreflexcamera

Is fotograferen een passie of ben je semiprofessioneel bezig met het nemen van foto’s? Dan is een spiegelreflexcamera iets voor jou. Dit neusje van de zalm biedt een uitstekende kwaliteit en tal van keuzemogelijkheden. Je kan gebruik maken van veel meer functionaliteiten en je kan de lens van een reflexcamera verwisselen. Deze lenzen zijn exact dezelfde als de analoge lenzen van je analoge fototoestel.

Hiervoor tel je een hoger bedrag neer: reken op 800 à 4500 euro. Koop dit type digitale camera…
als je de beste camera wil die er op de markt verkrijgbaar is.
als je bereid bent een flink bedrag voor je camera te betalen.
als je de voorkeur geeft aan handmatige instellingen.
als je nog verschillende analoge lenzen hebt liggen.
als je een camera met erg veel functionaliteiten zoekt.

 

Het menselijk oog
Vooraleer we de fotocamera bespreken is het goed even stil te staan bij onze eigen ingebouwde camera: het oog.

Het oog is in wezen een zeer eenvoudige camera met veel kenmerken van een fototoestel, enerzijds met meer mogelijkheden, anderzijds met evenveel beperkingen.

Het belangrijkste verschil is dat het oog direct gekoppeld is aan de hersenen, de visuele cortex die de prikkels verwerkt.
Hierdoor wordt de waarneming geen louter automatische registratie (wat door moderne gesofistikeerde camera’s sterk benaderd wordt) maar ook een empirisch en emotioneel gebeuren waarbij de waarneming telkens met onze vroegere visuele ervaringen afgewogen wordt.

Het oog bestaat uit een bolvormig glasachtig lichaam ( ± 24 mm diameter) met aan de voorzijde een kleiner opening waarlangs het licht binnenvalt en zo op het netvlies een omgekeerd beeld projecteert.

Voor deze opening bevindt zich het gebogen hoornvlies.
Daarachter ligt de lens (diameter van 17 mm). Samen zorgen zij voor de lichtbreking en scherpstelling. De scherpstelling gebeurt door vervorming van de lens, dit in tegenstelling met het cameraobjectief dat moet verschoven worden naargelang de opnameafstand.

Tussen het hoornvlies en de lens ligt het iris, het gekleurde regenboogvlies. Het iris reageert op de lichtintensiteit en verkleint bij sterke lichtinval, om verblinding te voorkomen ( tussen 2 en 8 mm). De functie van het iris is vergelijkbaar met het diafragma in de camera, de regeling van de lichthoeveelheid.

Het netvlies (retina) is het belangrijkste deel van het oog, waar de receptie van de lichtgolven plaatsvindt, en de opgewekte impulsen naar de hersenen wordt doorgegeven. In het netvlies (vergelijkbaar met de gevoelige laag van de film) bevinden zich de kegeltjes (130 miljoen) en de staafjes (7 miljoen). De kegeltjes zijn in het centrum van het netvlies het meest geconcentreerd en werken het best bij veel licht. De kegeltjes zorgen voor de receptie van de kleur. Bij weinig licht onderscheiden we dan ook nauwelijks kleur. De staafjes geven alleen informatie over licht/ donker en werken vooral goed bij zwak licht.
De plaats waar de oogzenuwen het netvlies verlaten noemen we de blinde vlek.
Hier bevinden zich geen receptoren. Onder normale omstandigheden merken we daar niet van omdat het oog, ook als we stil naar iets kijken, voortdurend kleine bewegingen maakt en de ontbrekende informatie van de blinde vlek telkens aangevuld wordt in onze hersenen. Proefondervindelijk kan worden aangetoond dat: als we naar iets staren er wel degelijk een blinde vlek is, dat we door het onderwerp niet af te tasten, heel wat informatie missen.

Elk oog heeft een gezichtshoek van ± 60° langs de neuszijde tot ± 105° naar de buitenzijde. Van dit groothoekgezichtveld van beide ogen is het middelste deel overlappend. Het verschil van ± 7 cm tussen beide ogen geeft een klein verschil in beeld, het zgn. stereoscopisch beeld.
Dit is vooral merkbaar voor dichtbij gelegen onderwerpen. Het verschil in perceptie laat ons toe ruimtelijk (driedimensioneel) waar te nemen en afstanden te schatten. Het scherpstellen en het richten van de ogen naar het te fixeren onderwerp gebeurt automatisch door het afwegen van deze informatie. Het stereoscopisch zicht wordt nagebootst met de stereocamera die met twee obejectieven twee licht verschillende beelden maakt. We kennen daarvan de View-Master die ons de indruk van een driedimensioneel beeld geeft.

Camera obscura

De ‘camera obscura’

De dingen om ons heen kunnen we zien omdat ze worden verlicht door de zon. Een deel van die zonnestralen wordt weerkaatst in alle richtingen. Ze worden opgevangen door ons oog en vormen op het netvlies een beeld. De camera obscura werkt eigenlijk net als ons oog.
De werking van de camera obscura (of donkere kamer), is gebaseerd op een principe dat reeds in de oudheid gekend was. Wanneer in een verduisterde ruimte een kleine opening wordt gemaakt in een van de wanden, dan wordt een beeld van wat zich buiten, voor de opening, afspeelt, binnenin geprojecteerd, op de tegenoverliggende wand. Dit beeld staat ondersteboven en spiegelverkeerd. De beeldscherpte en lichtsterkte kan worden verbeterd door het plaatsen van een lens in de opening.

Het principe van de ‘camera obscura’ werd reeds beschreven door Aristotoles, 4 eeuwen voor onze tijdsrekening.
Rond het jaar 1000 gebruikte een arabische geleerde, Abu Ah Aihazen, een camera obscura om de zon te bestuderen. Leonardo Da Vinci gebruikte het apparaat ook en zette er als eerste een lens in. In deze periode werd de camera obscura gebruikt als hulpmiddel bij het tekenen. Hierdoor ontstond het perspectief in de teken- en schilderkunst. In de loop der jaren leverden vele natuurkundigen en chemici bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het apparaat.

Het woord ‘fotografie’, letterlijk: tekenen met licht, werd in ieder geval voor het eerst gebruikt in 1839. Toen losten, Niepce, Daguerre en Talbot het laatste grote probleem van de vroegere uitvinders op, namelijk het houdbaar maken van het verkregen beeld.

Vaststelling bij het werken met camera obscura

We weten niet juist welk deel van ons onderwerp wordt afgebeeld.
We krijgen een omgekeerd beeld, maar de helderheidsverschillen en de onderlingegrootteverhoudingen blijven gelijk.
Het gevormde beeld is niet haarscherp.
De grootte van de afbeelding, de beeldgrootte is afhankelijkvan de diepte van de camera.
Om het gevormde beeld te kunnen bewaren moeten we het laten inwerken op een stof die voor licht gevoelig is.
Niet handig

De anatomie van de camera

Het viering system of de zoeker toont het onderwerp zoals het op de foto komt. Meestal bestaat dit uit een samenstelling van lensjes of wordt de opnamelens zelf gebruikt.
De schutter of spiegel regelt de tijd dat de sensor belicht wordt door open te klappen en zo de sensor te belichten
De sensor of CCD vangt een beeld van het onderwerp dat gefotografeerd wordt en legt het vast op de geheugenkaart
Aperture of diafragma een inriching om de hoeveelheid invallend licht te regelen, meestal vervaardigd van elkaar overlappende strookjes. Deze vormen een verstelbaar gat of opening. Het diafragma kan verder worden geopend om meer licht door te laten of gedeelteijk worden gesloten om de lichtinval te beperken.
Lens element of objectief bundelt de lichtstralen die van het onderwerp komen en levert een ondersteboven verkleind en speigelverkeerd beeld op de film aan de achterzijde van de camera.

Het objectief

Het objectief is het oog van de camera, het onderdeel dat de driedimensionale buitenwereld omzet in een tweedimensioneel beeld op film.
De kwaliteit van het objectief bepaalt in belangrijke mate de kwaliteit van de foto. Uitgerust met een goed objectief kunnen zelfs met de eenvoudigste camera technisch goede foto’s gemaakt worden. Het omgekeerde gaat niet op.

Moderne objectieven zijn complexe constructies met grote precisie gefabriceerd.
Het gaatje van weleer is geëvolueerd via een enkelvoudig lensje tot een ingewikkeld objectief dat samengesteld is uit verschillende lenzen en lensgroepen. Deze ingenieuze lenzensamenstelling is nodig om zoveel mogelijk licht door te laten en een zo scherp mogelijk beeld te projecteren op de film.De beeldvorming komt echter op dezelfde manier tot stand als bij een vergrootglas, wanneer met de stralen van de zon een gaatje in een stuk papier kan worden gebrand.

Het objectief bundelt de lichtstralen die teruggekaatst worden door het onderwerp en vormt op het filmvlak cen omgekeerdspiegelverkeerd beeld. Het is samengesteld uit verschillende lenzen met daartussen een diafragma. De grootte, vorm (hol, bol), aantal en manier van samenstellen bepalen:
* de brandpuntsafstand
* de beeldhoek (beeldveld)
* de lichtsterkte

Het objectief van een kleinbeeldreflexcamera kan gemakkelijk worden afgenomen en vervangen worden door een objectief met een andere brandpuntafstand.

De brandpuntsafstand

Een van de belangrijkste eigenschappen van een objectief is zijn brandpuntafstand.
( afgekort als F )

Dit is de theoretische afstand in mm, van het optisch midden van het objectief tot het filmvlak wanneer scherp is gesteld op oneindig.

Te vergelijken met het vergrootglas waarmee we een gaatje branden.

De brandpuntsafstand voor een normaalobjectief van een kleinbeeldtoestel is 50 mm. Deze geeft een gezichtshoek van ± 45° die ook door het menselijk oog wordt omvat.
We fotograferen dus met dit objectief opdezelfde manier als we kijken met één oog.

Andere filmformaten zullen voor hun normaalobjectief een andere brandpuntsafstand hebben.

De diagonaal van het negatiefformaat staat in verhouding met de brandpuntsafstand.

Dwz dat de brandpuntsafstand ongeveer gelijk is aan de diagonaal van het negatiefformaat.

Standaardobjectief ( normaalobjectief )

Voor kleinbeeld                                        50 mm
Voor middenformaat                               80 mm
Voor vlakfilm (4×5 inch) 10×12,5cm   150 mm

Beeldhoek

Elk objectief heeft een bepaald gezichtveld, een beeldhoek waaronder hij het beeld waarneemt. Het beeld dat door een lens gevormd wordt is cirkelvormig begrensd, dit is de totale beeldcirkel. Aan de randen van deze beeldcirkel is de beeldkwalitieit slecht, men kan slechts een klein gedeelte van de beeldcirkel benutten

Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe groter de beeldhoek.

Overzicht objectieve

standaard
* hoek ongeveer 45°
* ideaal voor een objectieve, neutrale weergave
* beeldt het onderwerp af zoals wij het zien met ons oog

Groothoek
* hoek groter dan 45°
* groot beeldveld, ideaal om een grote uitsnit te maken vb. landschap
* handig wanneer men slechts een kleine opnameafstand heeft,geeft veel scherptediepte
* creëert ruimte
* geeft de indruk van een vertekenend beeld (perspectief)

Fish-eye
* beeldhoek van 100° tot 150°
* het beeld is cirkelvormig
* de scherptediepte is vrijwel onbegrensd
* beperkt gebruik

Tele
* hoek kleiner dan 45°
* geeft de indruk van een samengedrukt perspectief
* isoleert
* geringe scherptediepte
* schept afstand, voorwerpen lijken groter

Supertele
* hoek kleiner dan 10 °
* samenpersing van het perspectief
* zwaar en duur
* ongemerkt fotograferen, vb wildfotografie
* weinig lichtsterk

Spiegelobjectief
* supertele
* vast diafragma (onmogelijk te veranderen door de constructie)
* hoek kleiner dan 45°
* geeft de indruk van een samengedrukt perspectief * isoleert
* geringe scherptediepte
* schept afstand, voorwerpen lijken groter
* korter dan een andere tele door zijn speciale bouw

Zoom
* variabele brandpuntsafstand
* nadeel : groter en zwaarder dan een gewoon objectief,
* weinig lichtsterk en niet altijd goede optische kwaliteiten
* voordeel : lichter en flexibeler dan een serie obejectieven

Reproductie
* heeft een optimale en gelijkmatige scherpte op korte afstand * weinig lichtsterk
* kleine beeldhoek
* duur
* gebruik: reproducties van 2 dimensionele voorwerpen

Softfocus
* heeft een redelijk scherp kernbeeld met een halo van onscherpte vooral bij      tegenlichtopnames
* gebruik: portret waarbij verzachting gewenst is en tegenlichtopnames met grote contrasten

Macro
* men kan het onderwerp scherpstellen dichter dan 45cm

Shift
* kan perspectieffouten corrigeren
* heeft een grotere beeldcirkel gebruik vb architectuur

De lichtsterkte

De tweede eigenschap van het objectief is zijn lichtsterkte.( ook wel relatieve opening genoemd ) Dit is de maximale lichthoeveelheid die het kan doorlaten. Deze grootste opening of diafragma wordt uitgedrukt door een getal dat de verhouding is van de brandpuntafstand en de diameter van de grootste opening.

vb:50mm / 37,5mm = 1,4

Hoe groter de lichtwaarde, hoe kleiner het getal, hoe helderder het zoekerbeeld, hoe zwaarder het objectief en hoe duurder in aankoop.
De meest gebruikte lichtsterkten zijn 1,8 – 2 – 2,8
De maximum lichtsterkte wordt echter niet zo dikwijls gebruikt, omdat de scherpte dan niet maximaal is, de scherptediepte is dan gering, en in verhouding met de belichtingstijd komt soms teveel licht binnen.
Daarom is het objectief uitgerust met een systeem van metalen lamellen die, wanneer we de diafragmaring verdraaien, we dichtschuiven tot de ingestelde waarde of diafragma.
Dit diafragma is telkens weer de verhouding: brandpuntafstand gedeeld door de diameter van het ingestelde diafragma. (zie deel over diafragma)

Diafragma

Het diafragma werkt als de pupil van een oog, het kan worden vergroot of verkleind en zodoende worden aangepast aan de eisen van het licht van het ogenblik.
Dit gebeurt met een ring van dunne, elkaar overlappende metalen segmenten. Door aan een ring te draaien kunnen deze metalen segmenten versteld worden.

Het diafragma is gemonteerd in het objectief.
De opening van het diafragmagetal is steeds de verhouding van de branpuntsafstand en de diameter van het ingestelde diafragma

Vb 50mm / 12,5mm = diafragma 4

Hoe kleiner het diameter hoe hoger het getal dus wordt.
Men gebruikt voor de diafragmagetallen een international oveereengekomen reeks :

1 – 1,4 – 2 – 2,8 – 4 – 5,6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32 – 45 – 64 – 90

Tussen elk diafragma is er een halvering of een verdubbeling van de hoeveelheid licht :

Elk diafragma laat een zekere hoeveelheid ligt door.
Elk diafragma met een groter getal zal de helft minder van het licht doorlaten.
Elk diafragma met een kleiner getal zal het dubbel van het licht doorlaten. Tussen elk diafragma is er een verdubbeling of een halvering :

dit noemen we één stop.

Bij moderne camera’s blijft het diafragma volledige openstaan totdat we op de ontspanknop drukken. Op dat moment sluiten de lamellen zich tot het ingestelde diafragma. Op die manier hebben we geen last van lichtafname tijdens de scherpstelling bij kleinere diafragma openingen.

Bij een digitaal fototoestel, behalve bij de dure professionele types, gaat dit niet zo snel. Er kan een merkbare vertraging zijn tussen het moment dat je de ontspanknop indrukt en het vastleggen van de foto. De oorzaak ligt bij de vele berekeningen die de processor moet maken… De sluitertijdenreeks is als volgt:

8s – 4s – 2s – 1 – 1/2 – 1/4 – 1/8 – 1/15 – 1/30
1/60 – 1/125 – 1/250 – 1/500 – 1/1000 – 1/2000

Zo is elke volgende stop steeds de helft van de voorgaande stop.

De sluiter

Om de belichting die de film nodig heeft te doseren beschikken we naast het diafragma, dat de hoeveelheid of intensiteit doseert, ook over een sluiter die de duur van de belichting doseert.

De gebruikelijke belichtingstijden zijn uitgedrukt in fractie van een seconde:

1/8000 1/4000 1/2000 1/1000 1/500 1/25 1/125 1/60 1/30 1/15 1/8 1/4 1/2
1 seconde

B T voor lange belichtingstijden

Elke sluitertijd laat een zekere hoeveelheid licht door.
Elke sluitertijd met een groter getal zal de helft minder van het licht doorlaten.
Elke sluitertijd met een kleiner getal zal het dubbel van het licht doorlaten.

Bij gebruik van langesluitertijden zijn er 2 mogelijkheden om de sluiter te bedienen :
Bij de stand B blijft de sluiter open zolang we de ontspanknop ingedrukt houden.
Bij de stand T blijft de sluiter open wanneer we éémaal op de ontspanknop drukken.
Wanneer we een tweede maal op de ontspanknop drukken gaat de sluiter dicht.

Tussen elke sluitertijd is er een verdubbeling of een halvering van de hoeveelheid licht : dit noemen we een stop.

Lange sluitertijden ( 1 s 1/2 1/4 1/8 1/15 1/30 ) zijn ongeschikt om te fotograferen uit de hand. Bij deze snelheden hebben we een statief en een draadontspanner nodig om trillingsonscherpte van ons toestel te vermijden.

Een gouden regel om uit de hand te fotograferen is nooit een belichtingstijd nemen die kleiner is dan de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief. Zo voorkom je bewegingsonscherpte!

bv :  -50 mm belichtingstijd minimum 1/60”
-100 mm belichtingstijd minimum 1/125”
-200mm belichtingstijd minimum  1/250”

Bij lange sluitertijden zullen bewegende onderwerpen een wazig beeld opleveren. Bij kortere sluitertijden kunnen we ons beeld “bevriezen”

De onderstaande tabel geeft de gebruikte sluitertijd weer indien je een onderwerp scherp wilt weergeven, de pijlen geven aan in welke richting het onderwerp zich beweegt. Een horizontale of een beweging van of naar de camera toe.

Relatie diafragma en sluitertijd
Om een juist belichting van onze film te verkrijgen is er altijd een combinatie nodig van het diafragma en de sluitertijd.

Voor een bepaalde lichtsituatie is er maar één lichtwaarde die de juiste belichting geeft van die lichtsituatie.

Vb diafragma 5,6 met sluitertijd 1/60 sec

Binnen deze combinatie van diafragma / sluitertijd zijn er nog ander mogelijkheden.
We hebben gezien dat wanneer we het diafragma veranderen naar een kleiner diafragmagetal de hoeveelheid licht wordt verdubbeld. We vermeerderen het diafragma met 1 stop.

Om de juiste belichting en lichtwaarde te behouden is het noodzakelijk om de sluitertijd ook aan te passen.We gaan dus de sluitertijd halveren dwz de sluitertijd verkorten en wel met 1 stop.
In de praktijk wil dit zeggen dat de waarden in ons voorbeeld de volgende worden :

Vb diafragma 4 met sluiterijd 1/125 sec

Andere combinaties zijn ook mogelijk :

Vb   diafragma 2,8 met sluitertijd 1/250
diafragma 8 met sluitertijd 1/30
diafragma 11 met sluitertijd 1/15

Elke belichtingscombinatie zal een goed belicht negatief leveren, verschillend nochtans van scherptediepte. Voor opnamen uit de hand en van bewegende onderwerpen kiezen we een korte belichtingstijd van minstens 1/60 sec en passen dan ons diafragma daaraan aan. Voor onderwerpen in studio en vanop statief gefotografeerd, kunnen we gerust secondenlang belichten met een zeer klein diafragmagetal en dus met een lange sluitertijd.
Telkenmale het diafragma of de sluitertijd wordt veranderd moet de andere parameter ook worden aangepast.

Bij “automatische”camera’s wordt de belichtingstijd elektronisch en traploos geregeld in functie van het diafragma dat ingesteld is, ofwel regelt de camera zelf het diafragma volgens de belichtingstijd die ingesteld werd. Bij zgn. “program” camera’s wordt de opname volledige door de camera zelf gemaakt. Programma’s werken eventueel volgens het gebruikte objectief, flits, of interacted chip volgens onderwerp. Alleen bij de allerduurste heeft de fotograaf zelf nog de mogelijkheid te kiezen tussen diafragmavoorkeur, tijdvoorkeur, programwerking of volledig manueel werken

Scherptediepte

Scherpstelling kan men slechts op een vlak, dat haaks op de opnamerichting en evenwijdig met het beeldvlak staat. Voor een vlak document is dit voldoende maar meestal is ons onderwerp drie dimensionaal en wensen we een zekere scherpte voor en achter het instelvlak. De zone die we aldus scherp fotograferen noemen we scherptediepte.

De scherptediepte is afhankelijk van 4 factoren :

* het diafragma
* de afbeeldingsmaatstaf (de verhouding van de werkelijkheid t.o.v. de afbeelding),
* de opnameafstand of de afstand waar we scherpstellen
* de brandpuntsafstand.

Hoe kleiner het diafragma, hoe groter de scherpte diepte. Hoe groter de opnameafstand, hoe groter de scherptediepte.

Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe groter de scherptediepte.

Hoe kleiner de afbeeldingsmaatstaf op het negatief, hoe groter de scheptediepte

In de praktijk zal men de afbeeldingsmaatstaf weinig of niet kunnen beïnvloeden daar het opnameformaat vast ligt door de camerakeuze.

De scherptediepte strekt zich uit van 1/3 voor het instelvlak/scherptevlak tot 2/3 erachter. Bij dichtbij opnamen vanaf ± 1m ligt het instelvlak in het midden : scherptediepte 1/2 voor 1/2 achter het instelvlak/scherptevlak.

Om de scherptediepte te kunnen controleren is soms een kontroleknop voorzien die toe laat het diafragma tot de ingestelde waarde te sluiten. Dit is een visuele controle waarbij men wel moet opletten dat bij gebruik van deze knop de hoeveelheid licht in de zoeker vermindert tot het ingestelde diafragma.Dus een moeilijke controle van de scherptediepte.

Bij oudere objectieven is er bovenaan het objectief een schaal aangebracht waar men de scherptediepte kan afgelezen : voor elke instelafstand en elk diafragma.

Scherptediepte is geen middel om de scherpstelling te vergemakkelijken. Het scherpste punt blijft het instelvlak. De scherpte ervoor en erachter neemt progressief af en is relatief dwz afhankelijk van de norm voor scherpte die men stelt; In praktrijk beschikt men dus vrijwel enkel over het diafragma om de scherptediepte te beinvloeden. Afhankelijk van het motief en de manier waarop men het wil weergeven kiest men een korte belichtingstijd en een groot diafragma of langere belichtingstijd en klein diafragma.

Hooggevoelige film en gunstige lichtomstandigheden laten soms de combinatie toe van korte belichtingstijden en klein diafragma. Meestal is men, zonder statief, gehouden aan kortere belichtingstijden en een aangepast diafragma. In de studio zal men, door de grotere afbeeldingsmaatstaf van grootformaatcamera’s, de scherptediepte meestal moeten vergroten door een kleiner diafragma’s te gebruiken. De daaruit volgende lange belichtingstijden leveren geen bezwaar op wanneer het stillevens betreft, die vanop statief gefotografeerd worden.

Bij de meeste moderne reflextoestellen blijft het diafragma open staan tot het moment van de opname, ongeacht de instelling. Op dat moment sluiten de lamellen zich tot het ingestelde diafragma. Op die manier hebben we geen last van lichtafname tijdens de scherpstelling bij kleine diafragma’s.

De werking van een digitaal reflexcamera

Inleiding

Het is eigenlijk onmogelijk om een analoge camera, waarmee u dia’s en negatieven maakt, te vergelijken met een digitale camera. Een digitale camera werkt ongeveer als een videorecorder waarmee u maar een beeldje tegelijk maakt. Maar om te beginnen bekijken we toch eerst de wijze waarop een analoge camera werkt.

Analoge camera

Eenvoudig gesteld bestaat een analoge camera uit een lenzenstelsel, een diafragma en een sluiter. Om ermee te kunnen fotograferen heeft u verder nog een dia- of een negatieffi lm nodig. Het lenzenstelsel zorgt er voor dat de camera het onderwerp scherp vastlegt, terwijl het diafragma de hoeveelheid licht regelt die op de film valt. Op het moment dat u de ontspanknop indrukt, ontspant de sluiter, valt er licht door de lens en het diafragma en bereikt zo de lichtgevoelige film. De door het licht overgebrachte informatie wordt daarbij op de film vastgelegd door middel van een chemische reactie in de lichtgevoelige laag.

Digitale camera

Afgezien van lens of lenzenstelsel hebben analoge en digitale camera’s weinig met elkaar gemeen. Hoewel de meeste modellen zijn uitgerust met een diafragma en een sluiter, is dat bij een digitale camera niet echt nodig. De reden hiervoor wordt al snel duidelijk wanneer we nader ingaan op de werking van een digitale camera:
Achter het optiek gaat het hart van een digitale camera schuil: de lichtge- voelige sensor-chip.

De lichtgevoelige sensor-chip. CCD sensor chip
Deze chip zet het binnenvallende licht rechtstreeks om in digitale signalen. En omdat de immense hoeveelheid signalen niet allemaal tegelijk kunnen worden vastgelegd op het moment dat u de ontspanknop indrukt, is een ingenieus softwareprogramma nodig dat onder meer de ontbrekende gegevens berekent en herleid.

Vervolgens wordt het gereconstrueerde digitale beeld overgebracht naar het geheugen van de camera om daar te worden opgeslagen.

De combinatie van lichtgevoelige sensor chip, software en geheugen vervangt in een digitale camera de film.

Zo werkt een CCD

Het hart van een digitale camera, de lichtgevoelige chip (in de meeste gevallen van het type CCD) is ongeveer even groot als een vingernagel.

Op dat uiterst kleine oppervlak zijn vaak minimaal enkele miljoenen sensors ondergebracht. Deze sensors zijn, ongeveer zoals de pixels op computermonitor, in rijen en kolommen gerangschikt. Elke rij van een lichtgevoelige chip bestaat uit duizenden rijen sensors en veel modellen hebben duizenden van die rijen.

Als al deze sensoren op dezelfde manier op het invallende licht zouden reageren, zoudt u met bijvoorbeeld een CCD, en daarmee dus met een digitale camera alleen maar zwart-wit foto’s kunnen maken.
Net zoals in het menselijk oog reageren bepaalde sensors van een CCD alleen maar op de golflengte van rood licht, andere sensors reageren alleen op groen licht en weer andere alleen op blauw licht.
Omdat het voor de hand ligt dat er naar kleurenfoto’s wordt gevraagd, werden verschillende soorten sensors ontwikkeld.
Groengevoeligheid feit dat het menselijk oog gevoeliger is voor groen licht, beschikt elke CCD of CMOS over meer sensors die gevoelig zijn voor groen licht dan voor rood en blauw licht.

CCD sensors

Die drie opgenomen soorten licht worden vervolgens ingedeeld in 256 helderheidniveaus Uit de combinatie van alle drie de kleurwaarden volgt dat er 256x256x256 of wel 16,7 miljoen kleuren mogelijk zijn, wat voldoende is om het gefotografeerde object in echte kleuren weer te geven.

Om de gehele opname op de juiste wijze te kunnen reproduceren zijn
ook helderheidwaarden nodig. De CCD filtert deze automatisch uit de drie golflengten. De chip zet deze waarden om in digitale signalen zodat de digitale camera over alle relevante informatie beschikt.

CCD sensors groengevoeligheid

 

Geheugenruimte

De voor een digitaal beeld benodigde geheugenruimte kunt u berekenen door het aantal horizontale pixels te vermenigvuldigen met het aantal verticale pixels.
Een opname van 1024 x 768 pixels levert dan een waarde op van 768.432 pixels. Maar behalve de helderheidsgegevens, bevat elke pixel ook alle drie de RGB-kleuren, zodat deze tussenwaarde moet worden vermenigvuldigd met 3. Daardoor neemt de benodigde opslagruimte toe tot 2.359.296 bytes of circa 2,25 MB.
Wanneer u een dergelijk ongecomprimeerd beeld zou willen opslaan in een camera met 4 MB geheugenruimte, dan zou u maar één opname kunnen opslaan en verder geen foto’s meer. Voor alledaags gebruik is dat niet handig, om over het versturen van zo’n foto via internet maar helemaal niet te praten. Gelukkig is het met compressie mogelijk de data-omvang te verminderen en per foto minder geheugenruimte te verbruiken.

Geheugenkaarten

Digitale camera’s gebruiken geheugenkaarten om foto’s op te slaan, ofwel ‘Flash geheugen’. Het is een zogeheten solid state (vaste) opslagvorm, wat wil zeggen dat er geen mechanische onderdelen in zitten. Alles is elektronisch. Je komt geheugenkaarten tegen in digitale camera’s, in computers (bios), in laptops en bij spelcomputers. Geheugenkaarten hebben een aantal eigenschappen die goed van pas komen in digitale camera’s.

* Geheugenkaarten zijn klein, zodat ze in kleine digitale camera’s passen
* Je kunt er snel data opzetten en afhalen

Er bestaan verschillende types geheugenkaarten van verschillende fabrikanten. De verschillende geheugenkaarten zijn niet uitwisselbaar, dus met de keuze van de digitale camera maak je gelijk een keuze voor het type geheugenkaart dat je gebruikt.

Resolutie

Het aantal lichtgevoelige sensors op de CCD chip bepaalt de resolutie van een digitale camera. Dit aantal wordt berekend door het aantal sensors per horizontale rij te vermenigvuldigen met het aantal sensors per horizontale kolom. Heeft een camera bijvoorbeeld een resolutie van 1280 x 1024 beeldpunten oftewel pixels, dan betekend dat dat de CCD uit circa 1,3 miljoen lichtgevoelige sensors bestaat.

Elke sensor van de CCD kan één van primaire kleuren van het invallende licht digitaliseren. Om alle kleurgegevens voor één enkel beeldpunt te verzamelen, zijn drie sensors nodig. Zonder softwarematige verbetering zou van een camera met een resolutie van 1280 x 1024 het aantal beeldpunten dus worden teruggebracht van 1.310.720 tot 436.907.

Over het algemeen kan men stellen dat een hogere resolutie een betere beeldkwaliteit betekent, maar dat is geen garantie.

Pixel

Afgeleid van picture element: beeldelement. Het kleinste element van een rasterbeeld of digitaal beeld dat ook informatie bevat omtrent de intensiteit en kleur. Pixels zijn rechthoekig in videocamera’s en vierkant in computers en digitale camera’s. Over het algerneen bestaat een pixel in een monitor of in een inkjet-printer uit 256 beeldpunten per kleur. Een uitzondering daarop vormt de kleurstofsublimatie printer.

Foto’s en resolutie

Met de resolutie wordt het aantal pixels in een beeld bedoeld. Een resolutie van 480 x 640 wil zeggen dat het beeld uit 480 x 640 = 307200 pixels bestaat. Hoe meer pixels zich in een foto bevinden hoe gedetailleerder de foto is. Elke camera kent een maximale resolutie waarop-ie foto’s kan maken. De ideale resolutie verschilt voor elke foto. Een foto die paginagroot in een professioneel tijdschrift moet komen heeft een veel hogere resolutie nodig dan een foto die op een website komt. Welke resolutie juist is voor de foto die je wilt maken hangt af van een aantal factoren.

* Of de foto op papier (tijsdchrift, krant, etc) moet komen of op een beeldscherm
* Hoe groot de foto weergegeven zal worden
* Welke kwaliteit de foto moet hebben

Voor gebruik op het web (emailen, websites) is een resolutie van 800 x 600 in de meeste gevallen meer dan genoeg. Foto’s met weinig detail zijn kleiner en worden sneller korrelig als je gaat uitvergroten met een grafisch programma zoals Adobe Photoshop. Digitale foto’s van een kleiner formaat bestaan uit minder data. Ze nemen daardoor minder ruimte in op de geheugenkaart van de digitale camera of in de inbox van degene naar wie je de foto stuurt.Hieronder staat een opsomming van veel voorkomende (maximale) resoluties bij digitale camera’s.

1 megapixel camera’s

1 megapixel camera’s kunnen foto’s maken van maximaal 1024 x 768 (= 786432) pixels. 1 megapixel camera’s zijn geschikt voor het maken van foto’s die je per email naar vrienden verstuurt of op het web plaatst. 1 megapixel camera’s worden tegenwoordig al niet meer gemaakt. Ze zijn vervangen door camera’s met een hogere resolutie.

2 megapixel camera’s

De maximale resolutie van een 2-megapixel digitale camera is 1600 x 1200. Dit is groter dan de resolutie van de meeste beeldschermen. Het lijkt erop dat 2-megapixel camera’s ook verleden tijd zijn of in elk geval niet lang meer te leven hebben. Deze resolutie stelt je in staat om iets geavanceerdere dingen te doen met je foto’s. Simpel printwerk in klein formaat is mogelijk.

3 en 4 megapixel camera’s

3 en 4 pixel digitale camera’s kom je op dit moment het vaakst tegen in de winkel. Een 3 megapixel camera is voor de meeste mensen meer dan genoeg en een logische keuze in de winkel. Je maakt foto’s met een maximale resolutie van 2048×1536. Zoals je misschien weet is 1024 * 768 een veelgebruikte resolutie voor beeldschermen. Je ziet dat een foto op de maximale resolutie van een 3 megapixel camera vaak al 4 keer zo groot is als de beeldschermopppervlakte. Dit formaat maakt de foto’s zelfs al geschikt voor meer professionele toepassingen zoals fotografie voor tijdschriften. Met een 4 megapixel camera zit je helemaal gebakken. Aangezien het prijsverschil tussen 3 en 4 megapixelcamera’s niet zo groot is gaan de meeste mensen als snel voor een 4 megapixel camera. Het heeft bij deze camera’s in de meeste gevallen niet eens zin om op de maximale resolutie te fotograferen. Dit levert zoals je ziet foto’s op die enkele malen groter zijn dan de resolutie van je beeldscherm. Deze resolutie moet je alleen gebruiken als je de foto’s professioneel en op paginaformaat wil afdrukken.

Hogere resoluties

Tegenwoordig zijn resoluties tot maar liefst 16 megapixels mogelijk. Vanaf 5 megapixels en hoger kom je in het professionele segment.
Er kunnen andere factoren zijn die je doen besluiten een bepaalde digitale camera te kopen. De kwaliteit van de lens bijvoorbeeld is een minstens zo belangrijke factor bij het kopen van een digitale camera.

Foto’s printen en resolutie

De resolutie van een foto bepaalt zoals gezegd de grote waarop hij geprint kan worden met een bepaalde kwaliteit. Hoe groter de resolutie van de foto, hoe groter de print is die je kunt maken.

Instelling van de camera

Kleurtemperatuur

De kleurtemperatuur van een lichtbron voor wit licht is gedefinieerd als
de temperatuur van een zwart lichaam waarvan het uitgestraalde licht dezelfde kleurindruk geeft als de werkelijke lichtbron. De kleurtemperatuur wordt meestal uitgedrukt in Kelvin (K). Volgens de wet van Wien neemt
de golflengte van het uitgestraalde licht af met toenemende temperatuur en heeft blauwig licht (korte golflengte) een hogere kleurtemperatuur dan roodachtig licht. Vreemd genoeg wordt licht met een lage kleurtemperatuur als “warmer” ervaren dan licht met een hoge kleurtemperatuur.

De kleur van het licht dat door een vel helder wit papier weerkaatst wordt is in feite afhankelijk van het omgevingslicht. Bij verlichting door kunstlicht is de kleur anders dan bij verlichting door daglicht. De hersenen “weten” dat het vel wit is en voeren automatisch een ‘chromatische aanpassing’ uit, waardoor het papier er ‘op het oog’ hetzelfde uit blijft zien.

Bij digitale opnamen moet de witbalans (Engels: white balance, WB) worden ingesteld. Moderne apparatuur kan dit automatisch doen, maar een handmatig ingestelde witbalans geeft meestal het beste resultaat. TL- lampen vragen altijd om een handmatige witbalans, alleen al om het feit dat elke TL-lamp een andere kleurtemperatuur kan hebben (discontinue spectrum). Dit is te zien aan de laatste twee cijfers op de lamp. Echter, bij sommige professionele videocamera’s is de fabrieksmatige kunstlicht en daglicht ‘pre-set’ zodanig afgesteld, dat deze soms niet te evenaren is.

Als bij het filmen of fotograferen de kleurgevoeligheid niet goed op de kleurtemperatuur van de lichtbron is afgestemd, zal dit tot onnatuurli- jke kleuren leiden. Wanneer er sprake is van twee of meer lichtbronnen met een verschillende kleurtemperatuur, bijvoorbeeld daglicht (5500K – 10.000K) en kunstlicht (2800K – 3300K), zal men een keuze moeten maken voor een van de lichtbronnen. Een compromis kan men sluiten door voor beiden te kiezen, bijvoorbeeld 4300K. Voor de beste resultaten zal de kleurtemperatuur van kunstlichtbronnen door middel van correctiefilters op het daglicht afgestemd moeten worden.

De kleurtemperatuur wordt behalve in Kelvin ook uitgedrukt in Mired, wat staat voor Micro reciprocal degree, ofwel 1 miljoen gedeeld door de kleur- temperatuur in Kelvin. Daglicht van 5000 K heeft dan een waarde van 200 Mired. Deze eenheid heeft het voordeel dat er eenvoudig mee gerekend kan worden. Een kleurcorrectiefilter veroorzaakt een vaste verschuiving van bijvoorbeeld 20 Mired in de kleurtemperatuur. Een blauw filter van 20 Mired geeft dan een daglichttemperatuur van 180 Mired (5555K), een rood filter van 20 Mired geeft dan 220 Mired (4545K).

1200     833      kaarslicht
2000     500      zonsopkomst en zonsondergang
2800     357      wolfraam-gloeilamp (gewone lamp), zonsopkomst en zonsondergang
3000     333      studiolamp, 3000-kleur TL lamp (”/830” is kleurweergave en kleurtemperatuur 3000K)
3200     312      halogeenlamp
3500     288      een uur na zonsopkomst
4000     250      4000-kleur TL lamp
4200     4700     mengsel van kunst- en daglicht
5000     200      fototoestel-flitser, daglicht (”D50” is “Daglicht 5000”)
5600     178      standaard daglicht
6000     167      middagzon
6500     154      Wit/Neutraal. Standaard waarde voor televisie of monitor.
7000-10000     felle zon

Bij digitale fotografie ontstaan er bij een hoge ISO-waarde pixels met afwijkende kleuren. Dit komt doordat geen enkele camera een perfecte lichtsensor heeft. De gemeten waarden van de hoeveelheid licht zullen altijd fouten bevatten, bij weinig licht worden deze fouten steeds meer zichtbaar in het resultaat, in de vorm van ruis. Dit verschijnsel bepaalt de signaal-ruis verhouding. Hoe lager het signaal, hoe lager de signaal-ruisverhouding. Bij een hoge ISO-waarde zal de camera het signaal kunstmatig versterken, om toch de gewenste belichting te krijgen. Tijdens dit proces wordt de ruis meeversterkt, waardoor de kwaliteit van de foto minder wordt.

De detailscherpte zal hierbij niet significant aangetast worden, maar bij uitvergrot- ing levert een foto met hoge ISO-waarde fletse kleuren.

Filmgevoeligheid

De filmgevoeligheid van een filmrolletje of digitale camera wordt
uitgedrukt in een getal, waarbij een aantal normen kunnen worden gebruikt. De gevoeligheidsnormen ISO/ASA (International Organization
for Standardization/American Standard Association) en DIN (Deutsches Institut für Normung) berusten op de hoeveelheid licht die nodig is om de zwakste impressie van licht op de fotografische film te doen ontstaan. Hun definitie is gebaseerd op een gemiddelde gradatie bij normaal ontwikkelen. De standaard staat bekend als ISO 5800:1987.

Een verdubbeling van de ISO/ASA waarde betekent dat de film half zoveel licht nodig heeft om een vergelijkbaar bruikbaar beeld te geven.

Ook de gevoeligheid van beeldsensoren (CCD of CMOS) van digitale camera’s wordt in ISO uitgedrukt, deze kan echter naar believen binnen bepaalde grenzen ingesteld worden door de versterking van het beeldsignaal aan te passen.

Bij digitale fotografie ontstaan er bij een hoge ISO-waarde pixels met afwijkende kleuren. Dit komt doordat geen enkele camera een perfecte lichtsensor heeft. De gemeten waarden van de hoeveelheid licht zullen altijd fouten bevatten, bij weinig licht worden deze fouten steeds meer zichtbaar in het resultaat, in de vorm van ruis. Dit verschijnsel bepaalt
de signaal-ruis verhouding. Hoe lager het signaal, hoe lager de signaal- ruisverhouding. Bij een hoge ISO-waarde zal de camera het signaal kunstmatig versterken, om toch de gewenste belichting te krijgen. Tijdens dit proces wordt de ruis meeversterkt, waardoor de kwaliteit van de foto minder wordt.

De detailscherpte zal hierbij niet significant aangetast worden, maar bij uitvergroting levert een foto met hoge ISO-waarde fletse kleuren.

Een metingsmodus kiezen

Bij digitale camera’s kun je kiezen uit verschillende metingsmodi.
In gewoon Nederlands is de metingsmodus de manier waarop de automatische belichtingsinstelling van de camera bepaalt – meet – hoeveel licht in een scène aanwezig is, zodat de juiste belichting voor de foto kan worden berekend. De gebruikelijke lichtmeetmethoden zijn de volgende:

Meerveldsmeting.

Bij deze methode, ook wel bekend als matriwmeting, multizone metering of pattern metering, wordt het beeld in een raster (matrix) verdeeld en wordt het licht op verschillende punten van het raster geanaluseerd. De camera kiest vervolgens een belichting waarbij de schaduwrijke en fel verlichte delen van de scène beide goed uitkomen. Deze methode is doorgaans de standaardmodus en werkt goed in de meeste situaties.

Centrumgerichte meting

In deze modus meet de camera het licht in het hele beeld, maar wordt meer belang gehecht aan het centrum of middelpunt van het beeld. Gebruik deze methode als je het belangrijker vindt hoe het gedoe in het midden van de foto eruitziet dan het gedoe langs de randen.

Spotmeting

Bij deze methode meet de camera alleen het licht in het midden van het beeld

Spotmeting en centrumgerichte meting zijn handig als de achtergrond veel lichter is dan het onderwerp. Bij matrixmeting zou je onderwerp dan misschien worden onder- of overbelicht, omdat de camera de belichting aanpast op basis van de felle achtergrond.

Belichtingsmodus kiezen

Automatische belichting

De meeste digitale camera’s van de meest standaard modellen tot
de duurste digitale spiegelreflexcamera’s hebben een automatische belichtingsmodus die soms programmed autoexposure wordt genoemd. Deze functie doet precies wat zijn naam zegt: de camera leest het licht in de scène en stelt vervolgens automatisch de belichting in.
De automatische belichtingsmechanismen werken tegenwoordig ongelooflijk goed. Maar om de functie correct te laten werken, moet je eze drie stappen volgen bij het maken van foto’s:

1. Plaats het onderwerp centraal in de zoeker of op het scherm.
2. Druk de ontspanknop half in en houd de knop in deze stand vast.
De camera analyseert de scène en regelt de belichting. =Als je werkt in de automatische scherpstelmodus wordt ook de focus ingesteld. Als het toestel hiermeer klaar is, geeft het een signaal, meestal via een knipperend lampje naast de zoeker, of ee piepje.
3. Druk de ontspanknop helemaal in om de foto te nemen.

Halfautomatische piloot

Naast de gewone automatische belichtingsmodus, waarbij de camera zowel het diafragma als de sluiterijd bepaalt, biedt je camera een diafragmavoorkeuze en een sluiterijdvoorkeuze. De opties geven je meer controle, terwijl je nog wel profiteert van het belichtingsbrein van de camera. Ze werken als volgt:

Diafragmavoorkeuze.

In deze modus kun je zelf het diafragma bepalen. Na het instellen van het diafragma bepaal je de compositie en druk je de ontspanknop half in om de scherpstelling en belichting te bepalen, net als bij volledig automatische belichting. Maar in deze modus kijkt de camera wat voor diafragma je hebt ingesteld en wordt de sluitertijd aangepast om het beeld goed te belichten bij het gekozen diafragma.

Door het diafragma te wijzigen, verander je de scherptediepte het bereik met een scherp beeld.

Sluitertijdvoorkeuze

In de modus voor sluitertijdvoorkeuze bepaal je zelf de sluitertijd en selecteert de camera het juiste diafragma.

In theorie zou je dezelfde belichting moeten krijgen, wat voor diafragma of sluitertijd je ook kiest. Als je een van de twee aanpast, zorgt de camera er namelijk voor dat de andere instelling hierop wordt afgestemd, niet waar? Nou min of meer? Houd er rekening mee dat je werkt met een beperkt bereik van sluitertijden dn diafragma’s. Al naargelang de lichtomstandigheden kan het dus gebeuren dat je camera niet goed kan compenseren voor de vooraf ingestelde sluitertijd of diafragma.

Belichtingscompensatie (EV) toepassen

Of je nu in de volledig automatische modus werkt of de sluitertijd-
of diafragmavoorkeuze gebruit, je kunt de belichting bijstellen via belichtingscompensatie of EV-compensatie. Deze optie stelt de belichting een paar treden hoger of lager in dan wat de camera via automatische belichting kiest.

Hoe je de belichtingscompensatie instelt, vershilt van camera tot camer. Meestal kies je uit waarden als +0.7, +0.3,-0.7 enzovoort, waarbij 0.0 de standaardwaarde bij automatische belichting reprensenteert.

Ongeacht hoe je de belingscompensatie instelt, werkt de aanpassing op dezelfde manier:
– Om een lichtere foto te krijgen, verhoog je de EV waarde.
– Om een dokerdere foto te krijgen, verlaag je de EV-waarde.

De flitser

Een flitser is een apparaat dat een korte, felle lichtflits afgeeft om bij het maken van een foto bij weinig omgevingslicht toch een goede belichting van de film of beeldsensor te kunnen bereiken.
Een flitser kan een los apparaat zijn, maar in de meeste moderne camera’s is ook een kleine flitser ingebouwd. Grote flitssystemen worden in fotostudio’s gebruikt.
Through the lens (TTL) is een techniek om door de lens van een camera bepaalde metingen te verrichten, meestal de lichtsterkte.

De afkorting wordt voornamelijk gebruikt in flitsfotografie bij elektronenflitsers waarbij de belichting wordt geregeld door een lichtmeting door de lens van een fotocamera.

Digitale flitsmeting

E-TTL is een methode van Canon om ook bij digitale fotografie een goede belichting te verkrijgen met behulp van een flitser. Bij E-TTL wordt er een korte flits gegeven vlak voor de werkelijke foto wordt genomen. Dezvoorflits, die praktisch niet te zien is, wordt gebruikt om de belichting van de flitser af te stemmen met het diafragma en de sluitertijd. E-TTL(II) is een verbetering van de techniek om de belichting te berekenen waarbij ook rekening gehouden kan worden met de afstanden waarop is scherp gesteld, de aanwezigheid van meer en mindere reflectieve voorwerpen in een beeld etc.

D-TTL en I-TTL van Nikon is een vergelijkbare techniek, en andere fabrikanten hebben soortgelijke systemen ontwikkeld.

Invulflits

Bij deze stand wordt de flits altijd gebruikt, onafhankelijk van de hoeveelheid licht in de scène. Invulflits is vooral handig bij buitenfoto’s. Met invulflits valt er extra licht op de donkere partijen van een foto.

Flits met rodeogenreductie

Iedereen die wel eens foto’s heeft
gemaakt met een volautomatische camera – digitaal of concentioneel – kent het probleem van de zogeheten rode ogen. De flits wordt gereflecteerd in de ogen van de onderwerpen en het resultaat is een duivelse rode schitteringen in het oog. Rode -ogenreductie probeert dit fenomeen te verminderen door een zwakkere flits te produceren enkele ogenblikken voodat de echte flits komt of door een lamp enkele seconden te laten branden voordat de foto genomen wordt.
De gedachte hierachter is dat de voorflits, als je het zo wilt noemen ervoor zorgt dat de iris van het oog zich iets vernauwt, waardoor de kans op reflecties bij het afgaan van de flitser kleiner wordt.
Helaas werkt rode-ogenreductie bij digitale fotocamera’s niet veel beter dan bij gewone fotocamera’s vaak zieje nog steeds vuur in de ogen. Maar ja , de fabrikant beloofde alleen de ogen te reduceren n niet te elimineren , nietwaar?

Opslagformaten

Een bestand van een gedigitaliseerde afbeelding wordt ook een image file genoemd. In het bestand kan behalve de beeldgegevens ook technische informatie worden vastgelegd. Deze informatie heeft de computer nodig om het opgeslagen beeld juist weer te geven, het gaat hier bijvoorbeeld om de bestandsgrootte van het ongecomprimeerde beeld, de compressietechniek of welke software is gebruikt voor de digitalisatie. Deze technische informatie is opgeslagen in de image header van het beeldbestand. In de loop van de tijd is er een groot aantal beeldformaten ontwikkeld.

De meest voorkomende bestandsformaten zijn het TIFF (Tag Image File Format) en TIFF/EP (Tag Image File for Electronic Photography) formaat, het ExIF (Exchangeable Image Format) formaat en het JPEG (Joint Photographic Experts Group) formaat. Minder vaak worden het GIF (Graphic Interchange Format), het BMP (Bitmapped) en PICT (een Macintosh graphics file formaat) gebruikt.

In goedkopere camera’s met een maximale beeldresolutie van 640X480 pixels wordt meestal het JPEG formaat toegepast. Deze compressietechniek beperkt de grootte van het bestand. Er is weinig opslagcapaciteit nodig en de overdrachtssnelheid blijft vrij hoog. Een ander voordeel van dit bestandstype is de directe toepasbaarheid voor plaatsing op internetpagina’s.

Na de opname moeten de opgenomen beelden uit de camera worden overgezet op een computer. De software op de computer zorgt ervoor dat de beelden stuk voor stuk uit de camera worden ingelezen en vervolgens opgeslagen.

Professionele fotografen maken soms ook gebruik van het RAW-formaat, waarbij het opgenomen beeld in zijn totaliteit wordt opgeslagen, zonder enige compressie.

Geef een reactie